vrijdag 14 november 2008

Het Nieuwe Luisteren

Expertmeeting ‘De noten zijn op'

Stelling: Vernieuwing in de muziek is geen puur muzikale aangelegenheid meer.

Vrijdag 14 november 2008, 16.00 – 17.30 uur, Filmzaal 1, Verkadefabriek, ‘s-Hertogenbosch / Organisatie: November Music en BraM



De organisatie heeft mij gevraagd om mij in het bijzonder uit te spreken over wat het nieuwe (of: vernieuwing) is, en hoe wordt het ervaren. Ik wil daar het volgende over zeggen. Staat u mij toe dat mijn eerste opmerkingen enigszins technisch van aard zijn.

De vraag naar wat het nieuwe is, kan op verschillende manieren worden benaderd. Ik zal twee benaderingen hanteren.

1. Er is een onderscheid, binnen het concept van het nieuwe, volgens de relatie (zoals de filosoof Kant het mooi zou zeggen):

- Het absoluut nieuwe. Dit dient zich aanvankelijk meestal aan als iets wat in het geheel niet herkenbaar is: noch als oud, noch als nieuw, noch, eigenlijk, als wat dan ook. Dit nieuwe doorbreekt de context waarin het zichzelf (negatief) manifesteert.

- Het relatief nieuwe. Dit heeft meer te maken met “het nieuws” en met “nieuws onder de zon.” Het is een toevoeging aan wat we al kennen. We kunnen spreken van een nieuw element in een verzameling (nieuw kind in de klas, een nieuw stuk van Louis, etc.).

2. Het nieuwe laat zich daarnaast onderscheiden volgens het perspectief:

- Objectieve noviteit. Dat is toepasbaar op alles wat zojuist nog niet was (de actualiteit waarin we leven is een onophoudelijk orgasme van nieuwheid), inclusief het muzikaal nieuwe.

- Subjectieve noviteit. Dat is nieuwheid gezien vanuit een bepaald perspectief: nieuw voor mij.

Er is onze cultuur al langere tijd een verschuiving gaande van het eerste model van nieuwheid (breuk in de context; objectieve noviteit: revolutie, paradigmawisseling, unieke stijl) naar het tweede, meer “postmoderne” model (nieuws; nieuw voor mij). Het model van revolutie (universeel geldende nieuwheid) maakt plaats voor de communicatie van "nieuw-voor-mij" (denk aan de vele stukken van Jan Vriend waarin vooral verslag wordt gedaan van Vriends eigen luisteren naar zijn muzikale associaties).

Daarnaast zien we binnen de culturele markt waarin de kunsten opereren een nieuw model: dat van de personalisering van het “objectief” nieuwe. Iets dat nieuw bedacht is, wordt dit niet langer gepresenteerd als een “doorbraak” die zuiver omwille van zijn doorbraak-karakter universeel - dus voor iedereen - geldigheid en betekenis heeft, maar als iets dat voor mij (voor jou, voor haar, etc.) in mijn persoonlijke bestaan betekenis zou kunnen hebben. Het laatste model probeert te bemiddelen tussen de zuivere aanbodkant (“zie: er is iets nieuws”) en de luisteraars- of gebruikerskant (door antwoorden te suggereren op de vraag: “ja, maar waarom zou dat iets voor mij moeten betekenen?”).

Hedendaagse componisten denken hun individualiteit vaak nog op de klassieke manier, namelijk hetzij als een brenger van het absoluut nieuwe, hetzij als partij die verslag doet van wat voor hem of haar persoonlijk nieuw is. Niemand (ook Muziek Centrum Nederland niet, bijvoorbeeld) maakt zich op dit moment erg druk over de bemiddeling van beide, terwijl personalisering van het aanbod (een model dat bijvoorbeeld door Amazon wordt gehanteerd, maar ook ver buiten de commerciële wereld toepassing vindt), toch een bij uitstek hedendaagse benadering is.

Het andere punt waarover wij het vandaag moeten hebben (krachtens de stelling hierboven) is de intermedialiteit van het hedendaagse componeren. Het intermediale kan door critici worden gezien als een reactie op de ervaring dat de noten “op” zijn.

De intermediale ervaring ontstaat daar waar het Grote Luisteren (Schoenberger) voorbij is. Bijvoorbeeld: wanneer ik naar de premières en recente stukken op de Nederlandse Muziek Dagen luister (Jeff Hamburg, Anke Brouwer, Jan Vriend, en anderen - daar kunnen overigens namen als Marijn Simons en Giel Vleggaar aan worden toegevoegd) dan ervaar ik dat deze muziek niet langer mijn volledige aandacht nodig heeft. Het is een muziek die het best werkt als een complement bij andere ervaringen, zoals bij het klassieke geval van de filmmuziek. Het combineert prima met het lezen van een boek, het gadeslaan van het publiek, het in- en uitlopen van de zaal, etc. Een beetje alsof we in 1770 leven.

De hedendaagse luisteraar heeft met dergelijk multi- of intertasken geen enkele moeite. We zijn allen zeer getrained in het optimaliseren van onze ervaring. Wie geen genoegen neemt met de ene ervaring, combineert hem eenvoudig met andere. Het is de luisteraar die dit optimum zoekt, tenzij hij of zij daarbij gehinderd wordt door programmeurs die beslissen wat volgens hen voor anderen interessant is, en door de concertdiscipline die het hem of haar belemmert om nog iets anders te doen in het geval dat een onderdeel van het concert een kwestie van “uitzitten” dreigt te worden.

Hier volgt tot slot een synthese van de twee voorgaande onderwerpen (nieuwheid en intermedialiteit) - als bijdrage aan een diagnose van de huidige tijd.

“De noten zijn op” verwijst zoals gezegd naar een veranderd begrip van nieuwheid, eerder dan naar enige onmogelijkheid om iets (absoluut) "nieuws” te componeren. Het Grote Luisteren, dan het absoluut nieuwe begeleidt, is daarmee een ding van het verleden geworden, een verleden dat zich sterk richtte op revolutie (zoals de uitvinding van nieuwe muzikale paradigma’s, van unieke en niet-imiteerbare persoonlijke stijlen, etc.). Het Grote Luisteren is gemarginaliseerd geraakt onder druk van wat ik - voor de gelegenheid - het Nieuwe Luisteren zal noemen. Het Nieuwe Luisteren is het luisteren dat intermediale muziek begeleidt. Het heeft twee belangrijke kenmerken, die ik hier tot besluit wil noemen.

Ten eerste is het Nieuwe Luisteren een vorm van zerstreute Rezeption (Walter Benjamin): het is altijd een comparatief luisteren. Ervaringen, en ervaringskansen, worden steeds naar toe elkaar open gehouden. Er bestaat daardoor steeds de mogelijkheid dat de luisteraar zijn of haar aandacht zal verleggen naar iets anders (iets “nieuws”). Het is een luisteren dat zich blootstelt aan, en ook rekent op de voortdurende beschikbaarheid van, verleidingen.

Ten tweede is het Nieuwe Luisteren een luisteren dat afscheid heeft genomen van de monomedialiteit die mede onder invloed van de fonograaf is ontstaan: de isolering van muziek uit de synesthetische ervaring van alledag door haar toe te vertrouwen aan media die louter auditief zijn. Deze media - de fonograaf, dus, en al zijn recente nakomelingen - vervolmaakten de droom van een eigen domein waarin muziek niet langer de maat zou worden genomen door, met name, het visuele.

Wat we in de afgelopen tien jaar meemaken is dat deze exclusieve ervaring van muziek als een auditief verschijnsel op zijn retour is: ook de meest exclusieve (instrumentale, "absolute") muziek verschijnt op DVD, of wordt in settings gebracht die meerdere zintuigen beogen te beroeren. Het Nieuwe Luisteren is een synesthetisch luisteren, en begeleidt deze terugkeer van het intermediale in de absolute muziek.

Dat het Nieuwe Luisteren vaak nog aanvoelt als een vorm van desinteresse, ongeconcentreerdheid of zelfgenoegzaamheid (Schoenberger) zouden we niet als argument tegen dit luisteren moeten gebruiken. Het Grote Luisteren heeft anderhalve eeuw de tijd gehad om zich te ontwikkelen tot de indrukwekkende plateaus en pieken waarmee we haar associëren. Het Nieuwe Luisteren staat, historisch gezien, nog maar op het punt van doorbreken.

0 reacties: