zaterdag 8 november 2008

Listener Empowerment

Respons op Micha Hamel, uitgesproken tijdens het debat “Hoe hedendaags is de hedendaagse muziek,” Nederlandse Muziek Dagen, 8 november 2008, Muziekgebouw aan ‘t IJ in Amsterdam.


Micha wil niet over een crisis [in de hedendaagse gecomponeerde muziek in Nederland] spreken. Er is immers meer muziek beschikbaar dan ooit. De luistercultuur maakt een ongekend bloei door. De markt voor muziek toont zich onverzadigbaar. Het aanbod van concerten en festivals is overstelpend. Voor wie door de bomen het bos niet meer ziet zijn er inmiddels filters op de markt (zoals The Filter, een initiatief van Peter Gabriel). Inderdaad: wie zou in een dergelijk muziekminnende wereld over een crisis willen spreken?

Natuurlijk verkeert de nieuwe muziek-scene wel degelijk in crisis. Het oproer rond het NFPK+ is daar slechts een van de vele uitingen van. De crisis ligt echter op een ander niveau dan dat het aanbod als zodanig. Het aanbod, daar kunnen we het in het debat van vandaag over eens zijn (morgen komen de componisten aan het woord), is talrijk en veelzijdig. Het (bijna) voormalige Fonds voor de Scheppende Toonkunst financierde gemiddeld ruim honderd composities per jaar, en dat is met twee per week meer dan menigeen bij kan houden.

De crisis is geen aanbodcrisis maar een legitimatiecrisis. Zoals Micha schrijft ligt de bron van deze legitimatiecrisis in het concept van het hedendaagse. De nieuwe muziek draagt in zijn naam de droom van datgene wat zijn tijd vooruit is en ooit als een zegen (of juist als een kritiek) neer zal dwarrelen over de muzikale mainstream. Maar dat is een verouderde manier van denken over muzikale geschiedenis. Voor het nieuwe kijken luisteraars al lang niet meer uit naar een componist die als heraut het goede nieuws van de toekomst brengt. Wie vanuit een dergelijke houding muziek maakt verraadt slechts ieder contact met de hedendaagse wereld verloren te hebben. Hedendaagse muziek is popmuziek. De figuur van de componist, daarentegen, zet zichzelf neer met een taal uit het verleden.

Een recent voorbeeld hiervan is Richard Rijnvos, die het in zijn winner’s address tijdens het Toonzetters festival (31 augustus 2008) het passend vond om de positie van de hedendaagse muziek te verdedigen met een verwijzing naar de schoolmeester uit Bordewijks Bint. De nieuwe muziek, zo was zijn gedachte, stelt net als deze schoolmeester de norm die de leerlingen (dat zijn u en ik: luisteraars die nog niet zo ver zijn) zullen moeten zien te bereiken. Maar de wereld, zo zou je toch ook denken, heeft sinds 1934 niet stil gestaan, de educatieve sector in elk geval niet - en de literatuur trouwens ook niet. Wie zoekt naar een argument, naar een raison d’être, zoekt hier in alle waarschijnlijkheid op de verkeerde plaats - of wil slechts begrepen worden binnen de eigen kring.

De vraag is niet langer of de luisteraars de muziek begrijpen (Micha), maar of de muziek de luisteraars nog begrijpt. De luisteraar is niet langer de seculiere kunstbroeder die opziet naar de goddelijke vruchten van de Artiest. In zijn wereld geldt in het geheel niet - zoals Rijnvos zijn collega’s voorhield - dat er zonder componisten geen muziek is. Die is er, zoals gezegd, wel, en in zelfs overvloed. Betekent dit dat luisteraars verzadigd zijn, dat er steeds meer muziek klinkt maar dat er steeds minder geluisterd wordt (Elmer Schoenberger)? De melancholici roepen dit vaak en graag, maar bewijs is er nog nooit voor gevonden. Waarschijnlijker is het dat de nieuwe muziekwereld - componisten, uitvoerders en instellingen - onvoldoende doet om de luisteraar te doorgronden. Het probleem is, zoals ik eerder zei, niet het aanbod, maar de aanbodgerichtheid van de nieuwe muziekwereld.

Een voorbeeldje. In Nederland wordt al meer dan een halve eeuw geïnvesteerd in instellingen die de zaak van de hedendaagse muziek behartigen. Deze instellingen zijn een toonbeeld van toewijding, maar zij zijn ook dragers van een manier van denken over muziek die in hoge mate uitgaat van de aanbieders. Het zijn servicebedrijven voor de aanbodkant. Wordt er dan niet nagedacht over luisteraars? Natuurlijk wel, maar het betekent in de praktijk weinig tot niets dat een instelling als Muziek Centrum Nederland publiek toegankelijk is. Wie op de hoogte wil blijven van de Nederlandse gecomponeerde muziek moet ofwel zich in persoon vervoegen bij de luisterafdeling op Rokin 111 (wat een astronomische investering vereist qua tijd en reiskosten - we leven immers niet allemaal in Amsterdam), ofwel zich overgeven aan wat de aanbieders (ensembles e.d.) menen dat luisteraars mogen (en uiteindelijk ook zullen moeten) horen.

Vergeleken met de popmuziekwereld is de nieuwe muziek zo gesloten en ontoegankelijk als een oester. Zelfs de meest nieuwsgierige luisteraar heeft een zware tijd als zij luisterend op de hoogte wil blijven van wat er allemaal gebeurt. Niet iedereen kan Ger (van den Beuken) even bellen en een CD’tje thuisgestuurd krijgen. Bovendien stuit dat op de bezwaren van al die tussenhandelaren die het rechtentechnisch zo goed voor elkaar hebben dat geen sterveling meer de muziek te horen krijgt (laat het NFPK+ zich daar eens druk over maken. Zij houden deze praktijk in stand). Voor een muziek die, zoals Klaas de Vries onlangs terecht schreef, het juist moet hebben van meerdere beluisteringen (en daar juist haar bijzondere status en culturele krediet aan ontleent) is dit alles een werkelijk desastreuze situatie.

Wat ik hier illustreer aan de hand van het voormalige Donemus (nu: MCN) geldt a fortiori voor deze scene als geheel. Er lijkt tijdens de debatten over de recente subsidieverdelingen niemand te zijn geweest die ook maar een moment heeft gedacht aan het mobiliseren van de luisteraar. En dan bedoel ik niet: luisteraars een steunbetuiging laten invullen, maar - en hier volgt de kern van wat ik vandaag te zeggen heb - luisteraars daadwerkelijk faciliteren bij het laten gelden van hun belangstelling voor dit type muziek. Wat deze scene nodig heeft is wat in andere sectoren van de muziek heel normaal is, en uiterst succesvol: middelen die het de luisteraar - die weinig tijd heeft maar die wel nieuwsgierig is - mogelijk maken om niet alleen eenvoudig toegang te krijgen tot de muziek zelf (niet: informatie over de muziek) maar ook zelf te bepalen wat zij wil luisteren en wat niet. Het lijkt er op dat de macht van de luisteraar het eigenlijke angstobject is van de nieuwe muziek. Voor zover dat het geval is is dat echter niet terecht: luisteraars verdienen vertrouwen. Zij zijn heel goed in staat om eigen keuzes te maken, en deze betekenen niet op voorhand het einde van de nieuwe muziek.

Als Micha dus vraagt waar we heen zouden moeten denken, is dit mijn polemische antwoord: exit de kunstpausen en tussenhandelaren. Laten we ons - vanuit onze respectievelijke posities als makers, liefhebbers, onderzoekers van de hedendaagse gecomponeerde muziek - inzetten voor listener empowerment.

2 reacties:

taylan susam zei

Dag Sander,

Je stukje is me nog niet helemaal duidelijk...

"middelen die het de luisteraar - die weinig tijd heeft maar die wel nieuwsgierig is - mogelijk maken om niet alleen eenvoudig toegang te krijgen tot de muziek zelf"

Betere publiciteit?

"maar ook zelf te bepalen wat zij wil luisteren en wat niet."

Dat is toch al het geval?

Uit je zinsconstructie moet ik ten slotte opmaken dat er middelen zouden bestaan, die beide doelstellingen tot gevolg hebben. Daar ben ik erg benieuwd naar.

ceheomsk zei

Great, I never knew this, thanks.

cialis